Close

Paradox in Egyptische machtsverhoudingen

zondag 12 januari 2014

In 2011 werden er voor het eerst sinds lange tijd vrije democratische verkiezingen uitgeschreven in Egypte.1 Sinds 1956 kende Egypte een periode van presidentiële of militaire alleenheerschappij onder Nasser, Sadat en Mubarak. Elk van deze drie mannen bekleedde in een eerder stadium een hoge positie binnen het Egyptische leger; het was dan ook militaire macht waarop de staatshoofden hun heerschappij lieten rusten.

In het boek van auteur Douglas North, Violence and Social Order, wordt uitgebreid beargumenteerd dat het berusten van het geweldsmonopolie bij de centrale overheid een van de belangrijkste voorwaarden voor een stabiele samenleving is. Zonder deze voorwaarde is het – simpel gezegd – te makkelijk voor vreemde (binnen- of buitenlandse) machten om het centrale gezag af te breken. Een centraal gezag zonder sterke militaire steun, is te kwetsbaar en ontvankelijk voor indringers. Dit verklaart voor een deel waarom legers in het Midden-Oosten een centrale rol spelen in het gezag; zij consolideren de macht. Tevens verklaart dit voor een deel waarom de opstandelingen in Tunesië, Libië en Egypte hun primaire doel – het afbreken van de dictatuur – konden volbrengen: het leger verplaatste de loyaliteit van de president naar de wensen van het volk. Tussen de opstand in Syrië – die tenminste voorlopig als niet-geslaagd beschouwd kan worden – en de opstanden in Tunesië, Libië en Egypte, zijn enkele parallellen te trekken. Zo ontstonden de opstanden in o.a. Egypte uit onvrede onder het volk; directe grieven hadden voornamelijk te maken met corruptie en economische malaise. In Syrië zijn vergelijkbare grieven hoorbaar: onderdrukking, economische malaise, corruptie, etc. De rol van het leger is hier echter anders: waar in Egypte op zeker punt duidelijk werd dat de legertop – en daarmee alle elementen in het leger – de president liet vallen, is dit in Syrië nooit en masse gebeurd. Het presidentiële, nationale leger is in Syrië zelfs een van de sterkste partijen in het conflict, zeker nu het zich ideologisch en militair gesteund weet door Iran en het Libanese Hezbollah.

Na de overwinning van het volk op president Mubarak werden er onder begeleiding van de Egyptische legertop vrije verkiezingen uitgeschreven. Vrije verkiezingen die werden gewonnen door de Moslim Broederschap, die zich ten tijde van de dictatuur breed ten dienst stelde van de armere, islamitische bevolking van Egypte. De Broederschap won op deze manier aan populariteit onder een groot deel van de bevolking, die niet in korte tijd ingehaald kon worden door andere ambitieuze politieke partijen. Een logisch – democratisch! – gevolg was een verkiezingsoverwinning voor de Moslim Broederschap, en een president uit deze rangen. Lang heeft de regering van Morsi niet gezeten, omdat het leger de voorgestelde grondwet onacceptabel verklaarde. Morsi werd afgezet door de Egyptische legertop. Overigens is deze maatregel te billijken: Morsi kende zichzelf bijna onaantastbare macht toe, ontsloeg ambtenaren met wie hij niet door één deur kon en nam het niet erg nauw met de vrijheid van meningsuiting. Tot slot verslechterde de economische situatie van Egypte ernstig onder zijn bewind, ondanks financiële steun uit het buitenland.

Volgens  de Libanese journalist Hussein Yaakoub is deze ontwikkeling typerend voor veel Arabische landen; revolutionairen kunnen uitstekend een gezag vernietigen (fase één), maar het lukt hen zelden om een geordende transitie naar democratie te maken (fase twee).2 Hiervoor worden de institutionele representanten vaak teveel gewantrouwd of als onderdeel van het foute, oude regime gezien. Iemand zal toch de macht moeten hebben, want ‘revolutionaire slogans’ gaan mensen geen werk en voedsel geven. De overwinnaars van de revolutie – de legertop, in Egypte – houden om veiligheidsredenen voor de natie vast aan het momentum.

De paradox is compleet. Om macht te hebben, is militaire kracht nodig. Mubarak en zijn voorgangers voeren wel op deze – indirecte – militaire kracht, maar deze lijn werd beëindigd. Om vervolgens ingeruild te worden voor directe militaire macht, in de persoonlijke vorm van generaal Al-Sisi. Democratische ambitie kan als de grootste verliezer worden aangemerkt.

  1. Voor een tijdlijn van de Egyptische revolutie van 2011, zie: “Timeline: Egypt’s revolution. A chronicle of the revolution that ended the three-decade-long presidency of Hosni Mubarak,” Aljazeera, (24 februari 2011), bezocht 11 januari 2011.
  2. H. Yaakoub, Perspectives. Special issue: People’s power – the Arab World in revolt 2 (mei 2011): 35-43.

Gerelateerde berichten

democratie, Egypte, Morsi, Moslim Broederschap, Mubarak, Sisi

%d bloggers liken dit: